Posts tonen met het label psychologie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label psychologie. Alle posts tonen

maandag 8 oktober 2012

De kracht van jongerencompetenties
 
Onderzoeken liegen er niet om: als jongeren een probleem hebben lopen ze amper naar een docent. Liever doen ze een beroep op hun leeftijdgenoten. Scholen hebben daardoor niet altijd even goed zicht op wat er omgaat bij hun leerlingen. Peer education is de oplossing. Jongeren dragen praktische verantwoordelijkheid. De ontwikkeling van hun sociale vaardigheden geeft hen later een voorsprong op de arbeidsmarkt. Maar ook voor de school valt er veel te winnen: meer sociale cohesie en een kortere lijn naar hulpbehoeftige studenten. Peercoaches kunnen een sleutelrol spelen in de relatie tussen de school en haar leerlingen. Welke school is de volgende die investeert in deze vorm van hulpverlening?
 
Door Dominique Verschuren
 
Vanaf juni 2012 wekken studenten van het Stedelijk Instituut voor Handel en Ambachten (SIHA) in Antwerpen elkaar. "We hebben overwegend Afrikaanse studenten," legt Steve Daponte uit. Hij is leerlingenbegeleider op de SIHA. "Zij begrijpen niet waarom het zo'n probleem is om vijf minuutjes later te komen." Om de leerlingen op tijd op school te laten komen, experimenteert SIHA met een methode waarbij studenten elkaar stimuleren. Daponte: "Vaak liggen sociale, emotionele of zelfs economische problemen aan de basis. Om de drempel zo laag mogelijk te houden, schakelen we de jongeren zelf in. Een gelijke heeft meer kans om uit te groeien tot een vertrouwenspersoon." 

Dit experiment op SIHA is slechts een van de talloze voorbeelden van peerprojecten die op Vlaamse scholen worden georganiseerd. Steeds meer leerkrachten ontdekken de kracht van de gelijkwaardigheid tussen 'peers'. Zowel voor de jongeren als voor de school. Welke voordelen heeft deze vorm van ondersteuning voor scholen?
 
Tussen gelijken
 
Peer education kent inmiddels een geschiedenis van ruim vijftig jaar. In de loop van de decennia werd de definitie vlijtig bijgeschaafd. Omdat er zo veel verschillende varianten bestaan, is een eenduidige afbakening niet gemakkelijk te geven. In Petto deed eind jaren negentig een waardevolle poging:
 


Peer education is een methodiek die voortbouwt op de positieve kracht van de peer group en die door middel van gepaste training of ondersteuning het natuurlijk proces van uitwisselen van waarden, houdingen en informatie tussen peers - in samenwerking met jongeren - wil versterken waardoor jongeren actieve deelnemers worden, eerder dan passieve ontvangers van een boodschap.

 
Ofwel: een samenwerking of support tussen gelijken (peers) met de daaraan gekoppelde, essentiële gelijkwaardigheid. De peergroup is dit geval: jongeren.

Peer education kent vele alternatieve modellen. Een belangrijk onderscheid is die tussen de formele en informele hulpverlening. Er bestaat een geïnstitutionaliseerde manier van peer education. Na een opleiding van een trainer krijgen jongeren officieel de functie van peercoach. Aan de andere kant van het spectrum vinden we een meer vrijblijvende vorm van peer education. Jongeren werken samen met andere jongeren in een meer informele setting, het is minder opgelegd. Hulpverleners gebruiken vaak de term peer support.

Dit is nog maar de theorie. Verlaat je de boeken en duik je in de praktijk dan vind je talloze varianten. De lijst lijkt eindeloos: monitor, peter of meter, peercoach, mentor, Jeugdadviseur, tutor... Welke nuances er ook zijn te ontdekken, in essentie gaat het altijd om hetzelfde: jongeren ondersteunen andere jongeren.
 
Jeugdadviseurs
 
Een bijzondere vorm van peer education is het project Jeugdadviseurs.


Op zoek naar een meer 'outreach' werkende manier van jongerenondersteuning kwam het JAC rond 1991 met een nieuw uitgangpunt: Geef de jongeren zelf een actievere rol. Op papier stond er: "Opleiden van jongeren als schakelfiguren tussen leeftijdsgenoten en de professionele hulpverlening," en: "Bekend maken van het JAC en verlagen van de drempel door jongeren zelf in te schakelen."
 

Met andere woorden: om jongeren gemakkelijker naar de hulpdiensten te lokken zouden leeftijdsgenoten een kruiwagen kunnen zijn. Jongeren raken immers sneller aangespoord door andere jongeren dan door volwassenen. Mensen uit een andere generatie hadden misschien gelijkaardige ervaringen, maar die vonden plaats in het verleden. Daardoor kunnen tijdloze problemen, zoals liefdesverdriet, sollicitaties, of ongewenste zwangerschap, andere interpretaties krijgen, om nog maar te zwijgen van de morele afweging die verschillende generaties kunnen maken. En wat te denken van het gewijzigde wereldbeeld onder invloed van nieuwe technologieën en communicatiemogelijkheden. Dat kan een extra drempel veroorzaken. Actieve inbreng van jongeren verlaagt die drempel.
 
Die jongeren vormden niet alleen een veredelde etalage voor de JAC's, maar deze zogenaamde Jeugdadviseurs profileerden zich gaandeweg meer en meer als een eerste aanspreekpunt voor problemen onder jongeren. Toch zijn Jeugdadviseurs geen mini-hulpverleners. Wat zijn ze dan wel?
 
Cruciaal bij de rol van Jeugdadviseur is het vrijblijvende karakter. Jeugdadviseurs beslissen zelf of ze met een bepaalde situatie binnen hun vriendenkring iets doen, en hoe ze dat doen. De hulp die Jeugdadviseurs geven moet je zoeken in kleine stappen die van grote betekenis kunnen zijn: een schouderklopje of een knuffel, aandacht of een gesprekje, humor om de pijn te verzachten... Als bijvoorbeeld een bepaalde situatie de draagkracht overstijgt dan heeft een Jeugdadviseur altijd de mogelijkheid om zijn of haar grenzen aan te geven. Je kunt moeilijk iemand anders helpen als je jezelf niet honderd procent prettig voelt bij een situatie of een vraag. Onmiddellijk doorverwijzen luidt het devies in zo'n geval.
 
Vrijblijvend betekent overigens niet: onverschillig. Integendeel. Jeugdadviseurs stellen zich persoonlijk betrokken op. Zij geven zelf een invulling aan de hulp die ze willen bieden. Doordat ze juist heel bewust de afweging maken of ze iemand al dan niet kunnen opvangen, bewijst dat ze heel geconcentreerd zijn op die ander.
 
De Jeugdadviseur heeft geen voorbeeldfunctie. Vaak zijn het jongeren van zestien, zeventien... jaar. Laat ze vooral zestien, zeventien... zijn. Ook met hun tekortkomingen. Toch zit de kracht van de Jeugdadviseur wel in het feit dat hij of zij anderen feedback kan geven. Ook, of liever, juist door hun persoonlijke ervaringen. Nog meer dan volwassenen zijn jongeren op zoek naar erkenning. Bij gebrek aan een afgeronde studie of carrière zoeken ze die vaak in sport of nemen een voorbeeld aan vrienden. Jeugdadviseurs kunnen daarin een rol spelen door te luisteren naar leeftijdsgenoten en door gedragingen of andere uitingen bespreekbaar te maken. Jeugdadviseurs kunnen hun capaciteiten integreren in hun gedragingen, wetende dat jongeren zich snel spiegelen aan leeftijdgenoten.
 
Peercoach
 
Jeugdadviseur is één voorbeeld van peer support. Op scholen vind je verschillende soortgelijke peerprojecten. De meesten daarvan spelen in op de behoeften op en rond de school. De functie die de jongeren bekleden kent vaak een formeler karakter. De jongeren profileren zich naar andere leerlingen, leerkrachten en directie door bijvoorbeeld zichzelf voor te stellen aan het lerarenteam. Ook maken ze een brochure, zijn ze beschikbaar tijdens spreekuren in een daarvoor ingericht lokaal. En er is een postbus.
 
Deze peercoaches richten zich voornamelijk op schoolgebonden thema's. Ze zoeken zelf naar oplossingen voor de probleemvragen die hen gesteld worden. Ondersteuning vinden ze bij het PMS  en de leerlingenbegeleider.
 
Hoewel de Jeugdadviseurs ook een opleiding krijgen, hebben zij meer bewegingsruimte. Zij zijn meer dan alleen een vraagbaak bij problemen. Jeugdadviseurs vind je ook buiten de schoolcontext. Die vrijetijdsbesteding gebeurt vaak in groep. Zonder zich verplicht te voelen om hun rol uit te oefenen kunnen Jeugdadviseurs, als ze zich geroepen voelen, ook in een groep support bieden. Immers, Jeugdadviseur word je niet; diep in hun hart waren ze dat al en zijn ze dat altijd en overal. Het is aan de Jeugdadviseur in kwestie om te bepalen waar en wanneer hij of zij dat engagement oppakt.
 
Ondanks de verschillen laten de varianten duidelijk enkele basisovereenkomsten van peer education zien. De jongeren zijn 'hulpverleners in de nulde lijn' . Beide projecten bieden een opleiding aan zodat de jongeren zichzelf en hun capaciteiten ontdekken en beter kunnen anticiperen op wat hen kan overkomen. Ook is er voldoende opvolging voorzien: feedbackmomenten en opvang bij een ingrijpende ervaring. En niet te onderschatten: erkenning van de competentie van de jongeren. Pas als je je meer bewust bent van je eigen talenten en tekortkomingen functioneer je beter als je anderen probeert te ondersteunen.
 
Baat bij een certificaat
 
Die bewustwording en bevestiging van de eigen competenties van jongeren speelt een aanzienlijke rol bij peercoaching. Dit is een van de troeven die peerprojecten zo interessant maakt voor scholen. Iedere school streeft er immers naar de meest complete en competente leerlingen af te leveren: weerbaar en bekwaam genoeg om mee te draaien in de 'grotemensenmaatschappij'. Dan spreken we niet alleen over cognitieve competenties. Sociale vaardigheden en een emotioneel evenwicht wegen steeds zwaarder door om een volwaardige bouwsteen te vormen in de samenleving.
 
Zo'n peerproject versterkt die emotionele en sociale capaciteiten. Jongeren worden bewust van hun competenties. Vaak hebben tieners niet door wat ze allemaal kunnen. Omdat ze bijvoorbeeld nooit de gelegenheid hebben gekregen om hun talenten te manifesteren. Of ze hebben die wel gemanifesteerd, maar ze beseffen niet wat het betekent wat ze doen. Hun talenten zijn zo vanzelfsprekend dat ze erover heen kijken. Of uit onwetendheid weten ze niet hoe ze hun vaardigheden kunnen inzetten voor anderen.
 
Hoe kun je dat bewustzijn bevorderen? Werken met certificaten helpt. Certificaat Jeugdwegwijzer is zo'n initiatief. Jongeren die het Traject Jeugdwegwijzer succesvol afleggen worden beloond met een certificaat. Dat is het bewijs dat ze acht competenties hebben verworven. De certificering is in het leven geroepen nadat begeleidende leerkrachten, jeugd- en welzijnswerkers veel talent uit hun klassen verloren zagen gaan. Hoewel de jongeren geen diploma haalden, ondervonden hun begeleiders wel hoeveel talent er in hun peercoaches en verantwoordelijke monitoren schuilde. Moet je die potentie verloren laten gaan voor de arbeidsmarkt? Moet je vacatures open laten staan omdat zeer capabele mensen zogezegd niet over de juiste papieren beschikken?
 
Dit certificaat is een bewijs dat jongeren die weliswaar niet volledig rimpelloos het secundair onderwijs hebben doorgezwommen toch over de nodige vaardigheden beschikken om te concurreren op de arbeidsmarkt. Leerkrachten, jeugd- en welzijnwerkers ijverden gezamenlijk voor de acceptatie van dit overkoepelende certificaat. Door deze brede steun krijgt het attest extra gewicht en de werkzoekende een grotere kans op het sollicitatiegesprek. De bezitter van het Certificaat Jeugdwegwijzer kan aanspraak maken op een waaier aan vaardigheden. Ze zijn peercoach geweest, ze hebben bewezen verantwoordelijkheid te dragen voor leeftijdgenoten, hen te ondersteunen, ze beschikken over communicatieve vaardigheden en een empathische gave. Zo worden ze getest door te bemiddelen bij een conflict, ze krijgen training in gesprekstechnieken, ze oefenen in feedback geven. De volgende stap is je eigen competenties te benoemen en daarover te communiceren. Met het certificaat in de hand kunnen deze jongeren terecht zeggen: Ik kan bemiddelen bij problemen, ik kan goed samenwerken met anderen, ik weet mij gepast uit te drukken in verschillende situaties... Zo'n attest geeft gewoon een boost aan een cv.
 
En dan te bedenken dat het juist deze jongeren zijn, zonder algemeen diploma, die tussen het wal en het schip dreigen te vallen. Jongeren die juist volop potentie hebben. Dat zou anders een dubbel verlies betekenen.
 
Kloof tussen leraar en leerling
 
Jongeren krijgen een extra bevestiging met zo'n certificaat in de hand. Het maakt ze sterker. Maar ook voor de school zijn er meer voordelen aan verbonden dan alleen de bevestiging dat een school aan zijn reputatie heeft voldaan door weer een aantal bekwame studenten af te leveren. Scholen winnen er zoveel meer bij. Een peerproject op school geeft een ondersteuning aan de hele zorgstructuur. Zo'n initiatief leidt tot een drempelverlaging. En dat is nodig, zo blijkt uit diverse onderzoeken.
 
In Petto publiceerde in 2011 het onderzoek Connected. Hieruit bleek dat de meerderheid van de bijna 1300 respondenten zich tot vrienden richt als er problemen zijn. Leerkrachten, begeleiders en coaches scoren extreem laag, slechts één procent. Logisch? Misschien wel, maar dat neemt niet weg dat het voor onderwijzend personeel lastig kan zijn om problemen bij scholieren op te sporen.  Dit lage percentage jongeren dat zijn of haar verhaal komt doen bij een leraar staat niet op zichzelf. Als zogenaamde ’steunfiguren’ scoren leerkrachten erg laag, minder dan 10%, aldus JOP (Jeugdonderzoeksplatform). Alleen professionele hulpverleners scoren nog slechter.  Ook de Vlaamse Scholierenkoepel (VSK) deed in 2011 onderzoek naar de relatie tussen leerkrachten en leerlingen. Eén van de resultaten uit hun bevraging luidt: “1 op 4 heeft geen of weinig vertrouwen in de leraar en hetzelfde aantal zegt dat ze niet bij leerkrachten terecht kan met problemen. Die cijfers liggen hoog. Het is belangrijk dat er voldoende vertrouwen is binnen de schoolmuren zodat leerlingen ook op school met grote en kleine problemen terecht kunnen.”
 
Je kunt er niet naast kijken. Leerlingen delen nu eenmaal niet snel hun problemen met onderwijzend personeel. Jongeren hebben ook weinig zicht, kennis over jeugdhulpverlening en als ze die hebben, dan is de drempel om er een beroep op te doen vaak te hoog. Toch kunnen docenten een belangrijke steunpilaar vormen als een tiener een probleem heeft. Peercoaches kunnen hierbij een helpende hand bieden.
 
Voorwaarden voor succes op school
 
Peercoaches kunnen dienen als een soort opstap naar professionele hulpverleners, zoals CLB. Doordat jongeren sneller hun problemen delen met andere jongeren is het voor de peercoaches gemakkelijker om als het nodig is een professionele hulpverlener in te schakelen. De scholen detecteren daardoor eerder de behoeften van hun leerlingen. Dit is niet alleen voor de scholier in kwestie prettig. Het gevoel dat je wordt opgevangen door mensen die je serieus nemen maakt ook een verschil in de schoolgangen. De sfeer verbetert. Bij conflicten zal er makkelijker bemiddeld kunnen worden. De jongeren kunnen dat zelf, peercoaches staan in voor hun verantwoordelijkheid en dat van anderen. Het komt de groepsbinding ten goede. Sommige scholen organiseren introductiedagen voor hun eerstejaars. Een peerproject kan vertrekken vanuit zulke introductiedagen om vervolgens uit te groeien tot een langdurig engagement. Zo'n traject ontwikkelt zich geleidelijk met de participanten mee.
 
Een peerproject kan enorm veel voordelen opleveren voor school en haar studenten. Maar zo'n initiatief kan alleen slagen bij goede inbedding in het schoolbeleid. Bedenk als school eerst wat je wilt bereiken en hoe je dat gaat aanpakken. Organisaties die zich professioneel bezighouden met peerprojecten zijn altijd bereid om ondersteuning te bieden aan de implementatie van zo'n project. Ondanks het enthousiasme heeft het weinig zin dat twee supergemotiveerde leerkrachten al hun energie investeren in zo'n project, terwijl de rest van het personeel er niet actief in meegaat. Ze staan er misschien positief tegenover, maar de volle bereidheid om hun steentje eraan bij te dragen blijft uit. Dan is het op poten zetten van zo'n peerproject vergeefse moeite en zonde van de inspanning. Vruchtbaar resultaat bereik je als je zo'n project verankert in het zorgbeleid van de school. Op die manier worden alle personeelsleden tot aan de administratie toe aangemoedigd om deel te nemen aan de praktische invulling van zo'n peerproject. Deze houding maakt de kans van slagen alleen maar groter. 

vrijdag 21 september 2012

de Liefde I. De liefde is overal. Kijk maar om je heen. Zoveel mensen die je op een dag ziet. Allemaal met hun eigen verhalen, hun behoeften, verlangens en teleurstellingen. Een van hen is Martha, de eerste uit een reeks.
 
"Uiteindelijk hou ik het meest van mijn neefjes, omdat die mij nodig hebben"
 
Martha is 34 jaar en maagd. Eén keer een man gezoend. Wat weet zij van de liefde? Alles, als je praat over verlangens. En over de grenzen van wat je kan verdragen: "Ik heb mijn gevoelens voor hem nooit met zoveel woorden tegen hem gezegd. Ik heb hem dat nooit gezegd, omdat ik bang ben dat hij me keihard zou uitlachen."
 
Door Dominique Verschuren
 
Martha: "Ik vind mezelf niet abnormaal, ook al is de westerse cultuur gericht op seks. Het is gewoon zo gelopen. Niet uit religieuze overtuiging of een principekwestie, alsof ik wacht totdat ik getrouwd ben. Nee, bij mij is dat niet beladen. Ik weet natuurlijk niet of ik iets mis. Soms denk ik er wel over na waarom ik nog geen seks heb gehad. Afgelopen donderdag bijvoorbeeld met J. was heel romantisch, het had heel goed afgesloten kunnen worden in een king size bed. Maar niet met hem, zolang hij samen is met zijn vrouw. Ik voel me te goed om een van de flirts te zijn.

Ik was dertig toen ik voor het eerst zoende. Ik heb niet de buitengewone behoefte gehad om te voelen hoe het is om te zoenen, of hoe het is om een man in me te voelen. Als je dat niet weet kun je dat ook niet missen. Veel van mijn vrienden zijn vrijgezel, dus het is ook niet zo'n issue. De Flair staat iedere week vol met seksonderwerpen. Voor mij staat dat in dezelfde categorie als dat de Flair wekelijks vol staat met recepten, terwijl ik niet zo'n keukenprinses ben. Natuurlijk interesseert seks mij meer dan koken, maar je leest het eens en dan blader je weer verder."

De moed van je overtuiging
 
"J. kwam mijn leven ingelopen tijdens de toneelles. Het eerste wat ik dacht was: wat voor een autistisch geval hebben ze in de groep gegooid? Dat was J. In zo'n groep praat je inhoudelijk over de teksten, je leert elkaar daardoor goed kennen. J. zat er met een lang gezicht bij, maar langzaam ontdooide hij. Hij begon het voortouw te nemen. Langs de ene kant staat hij op zijn strepen, hij spreekt uit waar hij voor staat. Anderzijds durft hij er niet voor te gaan. Hij mist de moed van zijn overtuiging.

J. heeft ooit gezegd dat ik gevaarlijk voor hem was. Ik speelde in een toneelstuk zijn verloofde. Hij pakt me dan de hele avond vast en kussen, als onderdeel van de rol. Toch was het anders als hij dat met mij deed dan met andere actrices. Dat was anderen ook opgevallen. Hij zei me: 'Jij bent gevaarlijk voor mij.' Ik was geflatteerd. Ik moet eerlijk bekennen dat ik er wakker van gelegen heb. Ik was in de wolken.

Drie jaar geleden hebben we gezoend. Ik had het moeilijk op mijn werk toen. Op een avond, terwijl ik de volgende dag zo lang mogelijk wilde uitstellen, hebben wij uren aan een tafeltje elkaars hand vastgepakt. Zelfs toen zijn beste vriend binnenkwam bleven wij zo zitten. Toen ik naar huis ging hebben wij gekust. Ik vind het jammer dat het bij een keer is gebleven.





Ik heb heel lang niet geweten dat J. een vriendin had. Hij had daar niets over gezegd. Zijn vriendin F. ontdekte ik per ongeluk, toen we bij hem thuis repeteerden. F. was kortaf en onvriendelijk tegen ons. Ik denk dat zij jaloers was. Zij vond onze groep niet leuk. Zij komt ook nooit naar een voorstelling. Ik weet niet of zij wel weet dat er voorstellingen zijn. Intussen zijn ze getrouwd.

Ik heb mijn gevoelens voor hem nooit met zoveel woorden tegen hem gezegd. Hij moet het wel weten van een vriendin van mij. Ik heb hem dat nooit gezegd, omdat ik bang ben dat hij me keihard zou uitlachen. Hij zou dat misschien niet doen, maar ik ben er wel bang voor. Dat wil ik niet.

Je kunt misschien wel denken dat hij speelt met mijn gevoelens, maar dat voel ik zo niet aan. Het zijn uiteindelijk mijn gevoelens. Ik kan gewoon veel van hem verdragen. Ik geniet van hem. Afgelopen donderdag nog: gedichtenavond. Wij wandelen eerst naar de plaats waar de gedichten gelezen worden. J. is er ook. Hij staat bij zijn vrienden en ineens komt hij op me af. Heel enthousiast: 'Wat leuk dat je er bent!' We hebben twintig minuten gearmd naar een hele mooie zonsondergang gekeken. Toen dacht ik: waarom ga ik hier niet mee verder? Dat is natuurlijk omdat hij getrouwd is. Want ondanks alles is hij nog altijd bij F."

Onvoorwaardelijke liefde
 
"Ik denk niet dat J. mijn grote liefde is. Omdat ik denk dat ik me anders veel minder zou laten tegenhouden door F. Ik heb dat bij mijn zus gezien, die was zo verliefd op haar ex-man dat zij haar leven in Turnhout heeft achtergelaten, haar vrienden en vriendinnen... Zij koos twee honderd procent voor haar ex-man. Als ik de juiste dingen zeg of doe, dan zou het wel iets kunnen worden tussen J. en mij, druk uitoefenen, ultimatums. Maar dat wil ik niet, ik wil niet dat hij zo voor mij kiest. Dat moet spontaan gaan, dat moet van hem komen. Mijn zus was blind voor alle rationele moeilijkheden, zij zag die gewoon niet. Ik denk dat je dat doormaakt als je je grote liefde hebt gevonden. Ik pak die dochter er wel bij, die scheiding is ook geen probleem, net zo min als het leeftijdverschil. De grote liefde, daar ga je blind voor. Die ben ik nog nooit tegengekomen.

Ik heb ook nooit datingsites geprobeerd. Ik koester het romantische idee dat het vanzelf moet komen. Mijn ideale voorstelling is: je gaat naar de supermarkt, je laat per ongeluk je mandje vallen, de appels rollen over de grond, iemand helpt de appels oprapen en je kijkt in elkaars ogen en dat is het. Ik geloof er niet echt in, maar ik hoop er stiekem wel op. Al dat gedoe van datingsites, dat vind ik geforceerd. Ik ga niet op een datingsite tussen al die wanhopige mensen staan. Ik ben liever alleen eenzaam dan in een relatie, denk ik. Eenzaamheid kan me overvallen. Dan heb ik een half uur lang heel erg medelijden met mezelf. Dan moet er goede muziek op, of er belt iemand, of ik heb iets leuks gepland op de agenda. Dan is het over.

Uiteindelijk verwacht ik toch iemand bij wie ik volledig mezelf kan zijn. Ik heb wat te bieden, inhoud, warmte, aandacht... Maar alleen als ik mezelf kan zijn. Ik wil heel graag kinderen, maar ik durf dat niet alleen. Een collega van mij is 23 en zwanger. Ik ben meer dan tien jaar ouder, dan steekt dat wel. Kinderen zijn een doelstelling op zichzelf. Ik heb niet alleen een man nodig om die kinderen te maken, maar ik heb ook een man nodig om die kinderen mee op te voeden. Iemand die af en toe zegt: 'Nu ga jij iets anders doen, ik zorg voor de kinderen.' Iemand om keuzes mee te delen, om mijn overbezorgdheid te compenseren.





De gedachte dat ik de grote liefde niet ga tegenkomen beangstigt mij. Dan zie ik mijzelf helemaal zielig alleen in een bejaardentehuis. De vraag beantwoorden of ik gelukkig ben in de liefde vind ik moeilijk. Ik ben bij heel veel mensen geliefd, maar ik zou graag willen dat die ene van mij houdt. Ik zoek iemand die, net als mijn familie, onvoorwaardelijk van mij houdt. Voor een deel is dat misschien een illusie. Ik hoop niet dat ik keihard moet veranderen om iemand tegen te komen die mij graag ziet. Ik ben wie ik ben. Dat is mijn grootste voor- en mijn grootste nadeel. Uiteindelijk, als ik erover nadenk, hou ik het meest van mijn twee neefjes. Omdat die mij nodig hebben. Dat zegt veel, hè?"


donderdag 23 augustus 2012

... To pass the time

If you knew you were going to live forever, you wouldn't need to eat anymore. Neither would you need money. What would you bother to do during the day? Work would no longer matter. The main problem would be that the boredom wouldn't end, cause your life just goes on. Playing and drinking is all you'd do.
 
You don't have to be rich, powerful or famous, because you survive anyway. Death makes us live - to reach something before we die. If you live forever you don't make time for action because you can start again tomorrow. But you don't start tomorrow, because you have literally all of time to start. So you never start anyway. Besides why should you start, what do you have to compensate? Ambitions are out of the question.

There's nothing to pass onto the next generations, because you won't die. The question is: if you live forever have you ever been born? Or were you always there? Can you have children and parents if you weren't born at all? 'Forever' is a priori difficult to understand. How long does it take? The word 'long' dissolves with the predicate 'forever'. This removes also 'forever' because that word refers a priori to length, while de facto it denials. In that way 'forever' stays an alive and kicking abstraction for the human brain, but at the same time unimaginable and the complete radical nothing. Death doesn't frighten us, but eternity does.
 
By Dominique Verschuren
 
 
...Om de tijd te doden

Als je  eeuwig zou leven, zou dat betekenen dat je niet meer hoefde te eten. Je had dus ook geen geld nodig. Wat doe je dan de hele tijd in plaats van werken? Je vervelen? Het grote probleem met vervelen is dan dat het niet eindigt, want je leven eindigt niet. Spelen en drinken is alles wat we zouden doen.

Je hebt ook geen behoefte om rijk, machtig of beroemd te zijn, want je overleeft toch wel. De dood zorgt ervoor dat je iets wilt doen, iets wilt bereiken voordat je sterft. Anders krijgt het gevoel van verlies je te pakken, als je niets achterlaat. Als je eeuwig leeft schiet je niet acuut in actie, want je kunt ook pas morgen beginnen. Maar je begint niet morgen, want je hebt letterlijk eeuwig de tijd om te beginnen en dus begin je niet. Bovendien heb je geen behoefte om te beginnen want je hoeft niets te compenseren. Ambities bestaan niet.

Je hoeft ook niets door te geven aan volgende generaties, want je sterft niet. De vraag is als je eeuwig leeft of je dan geboren wordt. Of was je er altijd al? Kun je dan kinderen en ouders hebben als je nooit geboren bent? 'Eeuwig' is a priori moeilijk voor te voorstellen. Hoe lang is dat? Het woord 'lang' lost op bij het predicaat 'eeuwig'. Hierdoor verdwijnt ook 'eeuwig' omdat dat woord a priori verwijst naar lengte, terwijl het de facto de ontkenning daarvan is. Op die manier blijft eeuwig voor de mens een abstractie die springlevend is, maar tegelijkertijd onvoorstelbaar en dus het complete, radicale niets. De dood beangstigt niet, de eeuwigheid doet dat.

(Thanks to Helen Williams)
 
 

woensdag 8 augustus 2012

Psychotherapeute Lut Celie vertelt over Connected
'We mogen niet bang zijn om ons hart te verbinden met elkaar.'

Midden in een volkswijk van Gent staat een groene oase: een oud, idyllisch begijnenhof. Het lijkt een eiland, met muren afgezonderd van de omgeving. Maar toch is het een plek van verbondenheid. In een van de authentieke huizen legt Lut Celie, psychotherapeute, uit waarom verbondenheid het hart van ons leven vormt.

Door Dominique Verschuren
Lut Celie: 'Ik begeleid voornamelijk jongeren. De meesten van hen hebben een ingrijpende gebeurtenis meegemaakt en zijn uit verbinding met hun omgeving geraakt. Ik kom vaak op scholen en begeleid zogenaamde groeigroepen. Daarin werken we ook aan verbinding. Het verbinden van binnenwerelden van jongeren.'

Binnenwerelden van jongeren?
'Ik hoor uit verhalen dat veel jongeren zich van binnen eenzaam voelen. Ze hebben niet meer de vaardigheden om wanneer het moeilijker wordt, als er zaken zijn blijven liggen, om die te delen met anderen. Om kwetsbaarheden, emoties,  gevoeligheden in verbinding te brengen met anderen. Hoe kunnen wij ons verbinden met anderen? Die vraag staat voor mij centraal, dat probeer ik over te dragen. Verbinden niet alleen in woorden, maar ook non-verbaal. We mogen niet bang zijn om ons hart te verbinden met elkaar.'

Hoe kunnen we dat doen, ons hart verbinden?
'Door niet bang te zijn. Door ons te laten zien. Het gaat om authenticiteit, groei. Dat mag afwijken van anderen, dat mag speciaal en anders zijn. Maar vertrekkend vanuit wie je zelf uiteindelijk wilt worden. Niet bang zijn om voor dat stukje te gaan staan. Jongeren die zich niet verbinden blijven op zichzelf bestaan, beginnen zichzelf abnormaal te vinden en niet oké. Of zelfs eenzaam. Trouw blijven aan jezelf is erg belangrijk. Vergelijk je zelf niet, wat ik vaak zie bij jongeren, maar denk: Daar sta ik voor en dat ga ik delen. Maar dan komt de vraag: waar zit veiligheid en vertrouwen om wie ik ben en waar ik voor sta en hoe ik denk en voel? Waar zit veiligheid en vertrouwen om dat te kunnen delen? Om mij daar minder eenzaam in te voelen. Dat delen is belangrijk in het verbinden. Ik zie vaak een rem op dat delen.'

Waar komt die rem vandaan?
'Het zit vaak in angst. Angst om niet begrepen te worden, om niet geliefd te zijn, om niet bij de groep te horen. Als je je zo gedraagt blijft er vaak een afkooksel van jezelf over. Je bent geliefd door wat de anderen van je verwachten en verlangen, maar niet om wie je werkelijk bent.'

Waar zijn we dan eigenlijk naar op zoek?
'Eenzaamheid en je niet kunnen verbinden met anderen is één van de grootste oorzaken van depressie. "Ik word niet begrepen." "Luister eens naar mij!" Ik heb een tijdje geleden een afscheidsbrief gelezen van een meisje dat zelfmoord pleegde. Daarin stond: "Niemand begrijpt mij." Niemand die echt verbinding had gemaakt en haar erkenning had gegeven! Mensen staan klaar met goed bedoelde adviezen, maar dat is vaak niet voldoende. Je hebt iemand nodig die zegt: "Ik kan geen pasklaar antwoord geven, maar ik wil wel met u een weg afleggen."'

Valse veiligheid
Is er eigenlijk veel angst onder jongeren?
'Er is veel angst. Angst om gepest te worden, om buiten de norm te vallen. Jongeren leven zeer sterk op eilandjes. Het draagvlak van een familie, een gezin, buren, de scouts... de ankers die vroeger gegeven werden, ook al waren die niet altijd even positief, die vallen beetje voor beetje steeds meer weg. Er is ontzettend veel beïnvloeding en dus ook angst. Niet mogen zijn wie je eigenlijk bent. Dat doet jongeren vaak wankelen.'

Hoe moeten we die eilandjes concreet zien?
'Jongeren die zich vaak niet begrepen voelen gaan enorme eigen werelden creëren. En daar zijn alle mogelijkheden voor in deze tijd. Ik trek mij terug alleen op mijn kamer en ik zoek daar mijn eigen wereld. Zoals een moeder mij vertelde: "Mijn zoon zit 's avonds 4 of 5 uur op zijn kamer, games te spelen. Ik heb geen contact meer met hem." Jongeren gaan letterlijk uit verbinding met de wereld. Ze hebben even het gevoel dat die virtuele wereld hun wereld is, maar het is valse veiligheid.'

Valse veiligheid. Dat klinkt uitgesproken. Wat is er zo vals aan die wereld?
'Omdat hun eenzaamheid opgevuld wordt door iets virtueels, iets wat die binnenkant, die binnenwereld niet voedt. Die eenzaamheid wordt even verdrongen, niets meer. Maar die eenzaamheid heeft verbinding nodig. Ik ben niet tegen die virtuele communicatie zoals internet en sociale media, maar dat alleen mag niet jouw wereld worden. Er bestaat zoveel verdieping daarnaast. Ik hoor vaak jongeren zeggen: "Ik zit veel in die virtuele wereld, maar als het echt over mezelf gaat dan weet ik niet wie ik moet bellen." Sociale netwerksites hebben hun functie. Het is een vorm van communicatie, maar het blijft oppervlakkig. Eenzaamheid wordt daarmee niet opgelost.'

Lut Celie: 'Gisteren zat hier een jong meisje van 22 met haar vriend. Met die gast heeft ze al een relatie sinds haar 15e. Ze zegt tegen hem: "Ik heb het gevoel dat je me niet begrijpt. Ik voel mij alleen staan." Die vriend zegt tegen haar: "Ik ken je al 7 jaar. Ik kan toch wel weten hoe je bent, ik begrijp je volledig, ik zorg al zo lang voor je." Zoals ouders ook vaak doen tegen hun kinderen: "Ik hou wel van je!" En toch voelt dat kind het niet. Die gast heeft inderdaad het gevoel dat hij al 7 jaar voor haar zorgt, op zijn manier. En toch blijft zij met een gevoel achter: Ik word niet begrepen. Hoe komt dat? Wat zorgt ervoor dat die ouder uit verbinding raakt met dat kind.'

Wat kan die jongen anders doen om toch terug die verbinding te maken met zijn lief?
'Vragen stellen, open staan. "Hoe komt het dat je je niet begrepen voelt? Wat kan ik doen zodat jij je meer begrepen gaat voelen? Daar wil ik aan werken." Misschien heeft zij een verandering ondergaan, een ontwikkeling, wat uiteraard heel menselijk is. Hij moet haar opnieuw ontdekken. Door vragen te stellen en niet ervan uitgaan dat hij haar van haver tot gort kent.'
Echtscheidingen en verwachtingen

Hoe belangrijk zijn ouders in de verbinding die jongeren kunnen maken?
'Ouders zijn zeer belangrijk omdat zij hechtingsfiguren zijn. Daarom zijn zij belangrijk om erkenning te krijgen. We zetten ons enorm tegen hen af. Maar om uiteindelijk te worden wie je bent als jongere is het belangrijk om een compliment te krijgen. "Je bent zo goed bezig!" Een jongere mag zichzelf worden. Dat is erg belangrijk. Alles dobbert, het wordt steeds onveiliger. Ouders gaan uit elkaar, echtscheiding, verwarring alom. Daarom is een identiteit ontwikkelen zo belangrijk.'

Echtscheidingen worden vaak gezien als slecht voor jongeren. Is dat werkelijk zo?
'1 op de 3 jongeren komt rechtstreeks in aanraking met scheidingen, omdat hun eigen ouders uit elkaar gaan. Veel jongeren kunnen daardoor moeilijk verbindingen aangaan. Met hun lief en met andere jongeren. Ze redeneren: Het kan morgen al gedaan zijn, misschien volgend jaar, dus waarom zou ik er zo veel aandacht aan besteden? En waarom zijn mijn ouders uit elkaar? Weet ik niet, ze kwamen gewoon niet meer goed overeen. Het kan mij ook wel overkomen.
              Een scheiding is sowieso een ingrijpende gebeurtenis, waardoor het fundament wankelt. Wat heel erg belangrijk is, is dat veiligheid en vertrouwen, die normaal gezien bij die hechtingsfiguren liggen, hersteld worden. Ik zeg niet: scheiden is traumatiserend. Scheiden is een ingrijpende gebeurtenis die ook bij jongeren veel zorg en aandacht vergt om te herstellen.'

Tot slot: welke rol spelen verwachtingen?
'De druk die jongeren wordt opgelegd kan erg groot zijn. Vaak horen verwachtingen niet bij de jongere. Veel ouders hebben die verwachtingen, die vaak niet reëel zijn. Dat kan een jongere enorm onder druk zetten. Sommigen kunnen niet onmiddellijk aansluiten op de Hogeschool of universiteit, gewoon omdat ze op zijn. Vergeet ook de druk van de school niet. Het prestige gericht zijn van de scholen is zeker gestegen. Veel scholen, ook middelbare, klagen dat ze niet extra aandacht kunnen geven, want ze moeten het lesprogramma afkrijgen. Leer die gasten ook andere dingen, over vriendschap, over iets dat gebeurt in de media, iets dat bij jongeren leeft. Gewoon samen iets delen.'

dinsdag 3 juli 2012

Op zoek naar holebi's in Vlaamse rusthuizen

"Ik zou het spijtig vinden dat ze mij niet meer zouden willen kennen omdat ze weten dat ik homo ben."

"Ze zijn er niet," zeggen bewoners en personeel. "Natuurlijk zijn ze er wel," zeggen deskundigen. Drie tot acht procent van de bevolking is gay. Dan moeten er toch een paar duizend homo's en lesbiennes in rusthuizen te vinden zijn? Het zoeken lijkt tevergeefs. Hoe komt dat toch?

Door Dominique Verschuren

We blinken er in uit: meten, meten en nog eens meten. Hoe vaak wordt u niet gebeld voor een enquête of krijgt u een vragenlijst onder de neus geduwd om in te vullen. Het lijkt wel alsof iedere vierkante meter van onze samenleving in kwantitatieve cijfers omgezet wordt. Geloof het of niet, toch bestaan er blinde vlekken in onze statistische maatschappij. "Holebi senioren is een zeer moeilijk bereikbare doelgroep," zegt Alexis De Waele. "Als je initiatieven wilt ontplooien stoot je altijd weer tegen hetzelfde probleem: hoe bereik je ze? Het is een zeer specifieke groep die zeer onzichtbaar is. En dat maakt het niet gemakkelijk om er een beleid naar te voeren of iets voor te doen."

De Waele is wetenschapper aan de Universiteit Gent. Momenteel onderzoekt hij onder de titel Klik eens uit bed! de seksuele gezondheid van homo's van veertien jaar tot de oudste holebi die hij kan bereiken. De Waele: "Het grootste deel van die groep senioren kwam er niet voor uit en komt er nog altijd niet voor uit. Degenen die er nu voor uitkomen is dus een zeer gereduceerd deel. En als wij holebionderzoek doen dan bereiken wij enkel die kleine groep. En alleen over die mensen kunnen wij een uitspraak doen. Van degenen die altijd in de kast gebleven zijn daar weten wij niets over." Over hoeveel holebi's hebben we het dan? De Waele: "Er zouden ongeveer honderdduizend oudere holebi's in Vlaanderen moeten zijn. Dat zijn 55+'ers. Dat zijn degenen die zich als dusdanig identificeren. Dat wil niet per sé zeggen dat ze er voor uitkomen. Het blijft een schatting, nattevingerwerk."

"Dat er geen holebi's zijn in rusthuizen is zever"

Twintig willekeurige rvt's in Vlaanderen, van de kust tot in Limburg, kregen een telefoontje. Op onze vraag of er holebi's in hun rusthuis wonen, zei vrijwel iedereen: "Nee, wij hebben zulke mensen niet in onze instelling." Voor bijvoorbeeld het home 't Hoge in Kortrijk is het onderwerp te controversieel om er ook maar een enkele vraag over te beantwoorden. De hoorn ging er meteen weer op. Toch komen holebi's wel voor in rvt's. Robrecht Raman, directeur van Hof Ter Linden in Evergem, is in twintig jaar carrière zes holebi's tegengekomen in zijn rusthuis. Een medewerker uit Erps-Kwerps, die liever anoniem blijft, heeft na twaalf dienstjaren welgeteld één holebibewoner gekend van wie ze het zeker wist. En misschien nog één twijfelgeval. In het landelijke Ninove en het Oost-Vlaamse Sint Laureins geven de betreffende medewerkers van het rusthuis toe dat in een dorpsgemeenschap homofilie nu eenmaal niet goed ligt. Ninove (Carine Tange): "Het is taboe. We weten niet of het een probleem is, omdat er niet over gesproken wordt. We zijn een plattelandsgemeenschap."

Op naar enkele rusthuizen. Op de vraag of er holebi's zitten in hun dienstencentrum Ten Gaarde in Berchem, antwoorden vijf bewoners in koor: "Nee, niet dat wij weten!" In Lichtenberg, Hoboken, zegt Jeanneke (76 jaar): "Ik ken niemand van mijn ouderdom die zó is. Ik weet niet hoe dat komt. Ik kan me niet bedenken dat iemand van mijn ouderdom zo is." Niet alleen Jeanneke, maar opvallend genoeg alle gesprekspartners van de groep senioren uit Lichtenberg associëren homoseksualiteit met hun kleinkinderen, enkel en uitsluitend met hun kleinkinderen.

Will Ferdy (85 jaar), zanger en boegbeeld van de homo-emancipatie: "In december 1970 kwam ik in een televisieprogramma ervoor uit dat ik homo was. Dat heeft veel goede, ook wel wat negatieve reacties en een depressie van weken tot gevolg gehad. Maar uiteindelijk was het een bevrijding voor mij toen ik ermee naar buiten kwam. Ik wilde zijn wie ik was." Ook al woont Ferdy nog altijd zelfstandig in een fraai appartement, toch kent hij de rvt's van binnenuit. Is hij, als rolmodel voor generaties holebi's, ooit aangesproken geweest door een bejaarde? "In al die tijd, en ik treed veel op in rvt's, is er nooit een oudere geweest die naar mij kwam en zei: 'Ik ben ook zo'. Veel verborgen leven. Het is me ook nooit opgevallen. Niet verwijfd, of een bijzondere belangstelling voor mij. In het dagelijkse leven wel, maar in de rvt's nooit!"

Maria (80 jaar), woonachtig in St. Anna in Wilrijk: "Ik heb één holebi gekend. Die is overleden. Dat was een man. Ik denk dat veel mensen dat niet wisten. Er waren wel geruchten: 'Zou dat nou waar zijn?' Ik was één van de weinigen die dat wist. Hij had het mij in vertrouwen gezegd."

Paul Rademakers is 91 en zit sinds zes jaar in rusthuis Het Gouden Anker. Op de vraag of hij de enige holebi in het tehuis is, antwoordt hij: "Ik denk dat er nog twee mannen zijn. Van de ene weet ik het zeker, van de andere niet. Maar ze zitten altijd gearmd in de cafetaria. Eigenlijk ben ik van allebei niet helemaal zeker. Je weet het alleen zeker dat iemand homofiel is als hij het zelf zegt. En er is eigenlijk nooit over gesproken tussen ons."

Ze zijn er dus wel, holebi's in rusthuizen. "Tuurlijk zijn ze er!" Aan het woord is Roger van Loon (67 jaar), presentator van het holebiprogramma Pinkwave op de Antwerpse radiozender Radio Centraal en een van de initiatiefnemers van het Janusproject. Met het Janusproject proberen zij het eenzijdige, heteronormatieve beeld bij te stellen door voorlichting te geven over holebi's en activiteiten te organiseren om de kloof te verkleinen. "Dat er geen holebi's zijn is zever," zegt hij. "Alleen ze komen er niet voor uit."

Dobberend in het huwelijksbootje

De vraag is dus niet of holebi senioren wel of niet in een rvt zitten. De vraag is veeleer waarom ze helemaal nergens te vinden zijn. Of toch aan het zicht onttrokken. Waarom komen ze niet voor hun geaardheid uit? De Waele: "De oudere holebi's waren jong in de jaren vijftig. In dat klimaat was er nog een compleet taboe. Maatschappelijke aanvaarding was nihil. We hebben er zelfs geen cijfers over, omdat er toen gewoonweg niet gemeten werd. Dus heel veel holebi's van die generatie zijn getrouwd en zijn er nooit voor uitgekomen en komen er nog altijd niet voor uit."

Jacqueline (67 jaar), één van de jongste bewoners in het St. Anna rusthuis in Wilrijk, onderstreept die analyse met haar persoonlijke bevindingen: "Ik wist wel dat het bestond. Wij hadden een winkel thuis, in het St. Andrieskwartier, Antwerpen. In de jaren vijftig. Dan kwam er een man met vrouwenallure. En ook een mannenkoppel dat het had over hun slaapkamer. Ik was 10, 12 jaar toen ik het doorkreeg. Mijn ouders waren heel progressief, dus ik wist alles vrij vroeg. Maar de algemene mentaliteit was bekrompen en die is lang bekrompen gebleven."

Een groot deel van deze generatie is opgegroeid in een homofoob klimaat. Dat schudt je niet gemakkelijk van je af als je ouder wordt. Vele generatiegenoten stapten in het huwelijksbootje met een persoon van het andere geslacht om er altijd in te blijven dobberen. Ze leidden decennialang een dubbelleven, ze worstelden levenslang met hun gevoelens. Zelfs de mentaliteitswijziging van de laatste twintig jaar deed daar weinig aan af. Ondanks een opener klimaat met verworvenheden als het homohuwelijk, adoptie en de antidiscriminatiewetgeving. De Waele: "Velen ervan zijn ooit getrouwd en/of zijn nog steeds getrouwd. En blijven zich verbergen. Weinig ouderen willen hun verhaal doen. Bij mannen valt het nog mee, zij komen gemakkelijker naar buiten. Zij komen terecht in het homomilieu. Voor vrouwen is dat toch een stuk moeilijker. Zij hebben minder verenigings- en uitgangsleven. Vrouwen sluiten zich daardoor nog meer af, zij plooien zich meer op zichzelf en houden hun geaardheid verborgen."

Ferdy: "Ik begrijp die mensen niet. Je kunt niemand dwingen, maar ik vind het zielig voor die mensen. Die gaan niet met hun tijd mee. Die moeten toch zien dat het klimaat veranderd is, dat het nu wel aanvaard is. Maar er zijn mensen die er nooit voor uitkomen. Tot aan hun dood niet. 'Spreek er maar liever niet over,' dat is hun houding. Het is een kwestie van durven. Het is inderdaad een koude douche, maar mensen appreciëren je veel meer als je bent wie je bent in plaats van een huichelaar te zijn. Het is geen moed, ik moest het gewoon doen. Het zat in mij."

"Zolang ze zich maar gedragen als wij"

Van Loon heeft veel weerstand ondervonden van zijn familie na zijn coming out. Niet toevallig na het roemruchte televisieprogramma met Will Ferdy uit 1970. Daarna werd hij een voorvechter voor homo-emancipatie. Hij kan zich heel goed de angst voorstellen die veel oudere holebi's in bedwang houdt. Van Loon:  "Als je zwakker wordt en je wordt afhankelijker en je krijgt dan nog die weerstand, dan valt dat moeilijk. Dan hou je het liever voor je. Zo van: Ik heb geen zin meer om me daar tegen te verweren. Ik ben 67 en ik kijk terug op mijn opvoeding, hoe negatief dat die was en hoe verdoken en hoe angstig wij waren om ervoor uit te komen. Stel je voor: die generatie daarboven, al die mensen die aan het zoeken waren, al die mensen die zichzelf wilden zijn, maar dat niet konden zijn. Uiteindelijk is het wel opengetrokken. Maar dat ze juist op het moment dat ze weer afhankelijk worden terug in de kast moeten kruipen, dat is een van de ergste dingen die kunnen gebeuren."

Waar komt die zorg vandaan? Is deze angst op reële gronden gebaseerd? Hoe kijken heterobewoners naar holebi's en schuilt er inderdaad een gevaar voor die minderheid?

Paul Rademaker, de 91-jarige bewoner uit Het Gouden Anker, gaf vanaf 1969 jarenlang voorlichtingsavonden aan hetero's over homofilie. Om een klimaat te scheppen waarin holebi's gemakkelijker voor zichzelf uit konden komen. En toch... nu hij zelf in een verzorgingstehuis zit: "Alleen een paar personeelsleden weten het, maar geen enkele bewoner. Ik heb gehoord van sommige mensen hoe ze er tegenover staan. Nog altijd ben ik een janet. Na al die jaren. Ik help nogal veel mensen, zoveel ik kan. Ik zou het spijtig vinden dat ze mij niet meer zouden willen kennen omdat ze weten dat ik homo ben. Dat zit er wel in. Het zijn oude mensen met hun vaste ideeën. Je moet eens weten wat er aan mijn tafel verteld wordt. Ik hou de tanden maar op één, want ik zou alle dagen in discussie kunnen gaan. Waarom zou ik, voor die stomme ideeën en uitspraken die ze doen?"

De twee dames uit het St. Anna, Maria (80 jaar) en Jacqueline (67 jaar), spreken gedecideerd over de houding van de meeste medebewoners: "Zéér anti! Sommigen zelfs fanatiek tegen. Uitlatingen als: 'Zeg, dat is een homo, hè!' Vaak praten ze er niet over, maar als het onderwerp ter sprake komt dan zijn de meesten fel tegen. Wij kunnen zeker inkomen dat holebi's er niet voor kiezen om naar een rusthuis te gaan." Jacqueline: "Er zijn niet veel (van de zittende heterobewoners, red.) die uit zichzelf contact gaan maken, bang voor wat hun vrienden ervan zeggen. Ik denk dat zo'n homo buitengesloten zou worden."

In Ten Gaarde, Berchem, verwachten ze deze afwijzende houding niet. Paula (75 jaar): "Als ze gewoon doen, dan is dat geen probleem. Maar als ze beginnen te 'smossen' dat zou ik niet leuk vinden. Zolang ze zich maar gedragen zoals wij." Zijn holebikoppels dan hetzelfde als hetero's? In hetzelfde groepje zegt Jeanne (82 jaar): "Ja, ik denk van wel." Ze wordt onmiddellijk gecorrigeerd door Toon (84 jaar): "Nee, dat geloof ik niet. Biologisch is er toch een verschil." Paula: "Het is heel moeilijk om het onder woorden te brengen, hetgeen wat je voelt. Want als ik die zie trouwen, dan klopt er iets niet voor mij. Voor een lesbienne is het ietsje gemakkelijker. Misschien is het belachelijk wat ik zeg, hè, maar toch: 'Ga en vermenigvuldig!' En bij twee mannen gaat dat niet. Die tolerantie is er wel, maar voor mij klopt dat plaatje niet."

De Waele onderkent dit beeld: "Je ziet bij holebi's die niet in een rvt zitten dat ze angst hebben voor wat er zou kunnen gebeuren zodra ze in een rvt zitten. Vooral vanuit het idee dat er veel heteronormativiteit is. Veel draait rond het gezin; kinderen en kleinkinderen worden een belangrijke zingeving. Holebi's hebben dat niet. Men gaat ervan uit dat ze een heteroleven hebben geleid.  Je komt in een groep terecht van mensen waarin je opnieuw je coming out moet doen. Ga ik aanvaard worden?"

Dat is zijn analyse op basis van onderzoek. Maar toen De Waele de resultaten wilde delen met senioren bleken zij daar bepaald niet voor warm te lopen. Zo kon de bespreking van zijn vorige bevraging Geen Roos Zonder Doorn, waarin hij de behoeften van Vlaamse holebi ouderen onderzocht, op weinig belangstelling rekenen. De Waele: "Twee of drie personen kwamen daarop af. En degene die het georganiseerd had zei ook: 'Ik voelde een enorme weerstand bij de ouderen. Ze voelden zich bijna beschuldigd dat ze zelf homo zouden zijn en daarom zeker niet naar zo'n activiteit zouden gaan.' Waarom is dat nodig?, was de vraag."

Een vicieuze cirkel

Waarom zou je zo'n activiteit organiseren als er geen vraag naar is? Dat was een van de meest voorkomende antwoorden van de twintig rvt's aan de telefoon. Over het algemeen staan het personeel en directie, volgens eigen zeggen, heel tolerant tegenover holebibewoners. En ook activiteiten en voorlichting zijn geen probleem. Maar... er zijn andere prioriteiten. De vuistregel bij vrijwel alle rvt's luidt: Zolang er geen vraag is van de bewoners zelf ziet de directie zich niet genoodzaakt om aandacht te besteden aan holebi gerelateerde activiteiten.

Wat niet wil zeggen dat er geen gunstige uitzonderingen zijn. Vorig jaar heeft dienstencentrum Ten Gaarde in Berchem in samenwerking met het Roze Huis een fototentoonstelling georganiseerd die gewijd was aan holebi's van alle leeftijden. Hoewel sommige bewoners er hun neus voor ophaalden, was de belangstelling enorm, volgens directeur Florent Beckx, de initiatiefnemer. De recreatiezaal puilde uit. Pascal Smet, de minister van Gelijke Kansen, kwam het evenement luister bijzetten. Daarna ging de foto-expositie op tournee langs andere dienstencentra in Antwerpen. Paul Hellemans, directeur van dienstencentrum De Meere in Berchem en een collega van Beckx: "Het heeft zelfs in de Antwerpenaar gestaan, maar er is weinig respons op gekomen. Alleen in Ten Gaarde was het een groter succes, want daar was de start. In de andere centra was de belangstelling miniem. Hoe komt dat? Ik weet het niet. De geluiden zijn niet echt negatief, maar ze lopen er ook niet warm voor. Zolang de bewoners er niet geconfronteerd mee worden gaat het aan hen voorbij. Dat is ook met andere thema's."

Mieke, een bewonersbegeleider van Lichtenberg in Hoboken, geeft toe: "We zijn er te weinig mee bezig. Maar ja, die vraag komt ook niet. We kregen ooit een affiche van het Roze Huis, over homoseksualiteit en ouderen. Wat moesten we ermee doen? Uitdelen? Aan wie? Alles is hier heus wel bespreekbaar. U bent ook binnengelaten om over dit onderwerp ons te interviewen, dus er is geen taboe. Maar toch moeten we wachten op de eerste homo die zegt: 'So what, ik ben wie ik ben.'"

Uitdelen? Aan wie? Wat moeten we met een affiche van het Roze Huis als niemand zich aangesproken voelt? Waarom voorlichtingsactiviteiten over holebi's als je er zogezegd nooit één tegenkomt? Met andere woorden: uit welke hoek moet het initiatief komen? Bij deze vraag wringt het schoentje. De Waele: "Oudere holebi's zijn niet zichtbaar, wat maakt dat binnen rvt's amper bewustzijn is en daar kunnen ze weinig aan doen. Waarom zouden ze er bij stilstaan als het er gewoon niet is? Wat doe je eraan? Je kunt hulpverleners moeilijk gaan sensibiliseren als die oudere holebi's er niet zijn. Het moet ook een bottom-up-beweging zijn. Holebi's die van zichzelf zeggen: 'Wij bestaan! Hou rekening met ons.' Die groep oudere holebi's is gewoon slecht georganiseerd."

Hij staat bepaald niet alleen in dit standpunt. Ferdy: "Het is één grote hypocrisie. Maar het moet ook van de ouderen komen. Omdat ze al jaren hebben gezwegen. De homes, de rvt's, zwijgen er dan over, want het is niet prioritair. Het zou zeker helpen als deze generatie holebi's er en masse voor uit zou komen. Maar ze komen er niet voor uit, dus die vraag is er niet, en dus is de redenering: we hoeven ons er niet mee bezig te houden. Maar het is van kapitaal belang, want het wordt onderschat." 

Daarmee stuiten we op een vicieuze cirkel waaruit niet gemakkelijk te ontsnappen is. Hoewel, als je het existentieel bekijkt kom je dichter bij een exit. Van Loon: "Niet het homo zijn op zichzelf, maar jezelf niet kunnen zijn, dat is volgens mij de grootste bron van conflict en stress. Je functioneert minder goed. Dat is de essentie. Mensen die afhankelijk worden, die worden betutteld. Zoals in een ziekenhuis, met verkleinwoordjes, dat is vernederend en mensonwaardig. Je hoeft mensen niet stijf en overbeleefd te behandelen, maar ook zeker niet op een neerbuigende manier. Dat haalt de waarde van de mens naar beneden. Waarde en respect, dat heeft er finaal mee te maken. En dan maakt het niet uit of je homo bent of hetero."

Een probleem is vaak pas een probleem als het zichtbaar wordt. Het vergt moed om met je diepste gevoelens naar buiten te komen, want je botst onmiddellijk op weerstand. Maar op lange termijn kunnen anderen zich er aan aanpassen en zal de situatie zich verbeteren. Een coming out zou het contact een stuk gemakkelijker maken, vindt Jacqueline (67 jaar) uit het rvt St. Anna: "Dat zouden ze wel moeten doen. Dat zou hun leven veel gemakkelijker maken. En dat van ons ook. Want als wij in twijfel staan, dan weten wij ook niet hoe wij moeten overkomen. Wat kunnen wij doen om die mensen op hun gemak te stellen als wij met twijfels zitten? Ik zie het als mijn plicht om die mensen zoveel mogelijk te leren kennen en ze te betrekken bij mijn leven. Die geaardheid maakt op zich niet uit, een mens is een mens."

De verloren generatie

Het klinkt bemoedigend, de gedachte van deze rvt-bewoonster. Toch lijkt de kans klein dat je met zulke aanmoedigingen de oudste generatie holebi's nog gaat bereiken. Is het daarmee geen verloren generatie? Van Loon: "Het is een verloren generatie. Je kunt nog heel weinig aan die mentaliteit veranderen. Het verzorgingspersoneel moet zich heel bewust zijn en geen bijkomende rem zetten op de evoluties die komen. Er moet zo vroeg mogelijk over diversiteit gepraat worden, liefst al in lager onderwijs, zodat het een normaliteit wordt. Want het is een normaliteit! Maar die oudste generatie is in die zin verloren, dat je ze niet meer van gedachten kunt laten veranderen."

Ferdy: "Het is een verborgen leven, het is een verloren generatie." Toch ziet hij voor zichzelf geen rol meer weggelegd om zijn eigen generatie wakker te schudden, in een televisiespotje of een advertentie in het kader van een 'outingscampagne' bijvoorbeeld. "Ik vind dat ik het voorbeeld genoeg gegeven heb. Er gaat geen programma voorbij over coming out's van holebi's of ik word genoemd. Dus op die manier maak ik promotie voor de openheid. Ik doe dat altijd. In interviews. Ik zeg: 'Altijd ervoor uitkomen.' Ik denk niet aan leeftijd. Het is voor iedereen en het is nooit te laat." Voelt hij zich geen roepende in de woestijn? "Voor die oudste generatie misschien wel. Maar niet voor de generatie die niet zo heel veel jonger is dan ik, huidige zestigers. Die mensen zijn mij heel erg erkentelijk."

woensdag 30 mei 2012

Expositie Gevaarlijk Jong: Het gevaar komt van jongeren

Dreiging als spiegelbeeld

Gevaarlijk Jong: gevaar voor jongeren, gevaar van jongeren voor anderen. Hoe zien kunstenaars deze dreiging? En waar komt de angst vandaan? Van buiten of uit onszelf?

Door Dominique Verschuren

Hoe verleidelijk staat ze daar in haar korte jurkje? Uitdagend in dat tropische decor, wiegend met haar heupen, een leeftijd amper uitgedrukt in dubbele cijfers. Hoeveel betaal je voor d'r? En wat houdt jou op een afstand: haar felle, intimiderende ogen of de revolver in haar rechterhand?

Ronald Ophuis schilderde dit meisje enkele jaren geleden. Hij velt geen oordeel, hij registreert. De kindsoldaat is een van de jongeren die de tentoonstelling Gevaarlijk Jong bevolken. Een expositie in het Gentse Museum Dr. Guislain over het kind in gevaar en het kind als een gevaar. Hoe gaan volwassenen om met die dunne scheidslijn? Tientallen kunstenaars uit de laatste tweehonderd jaar keken voor ons en legden hun visie vast.

De makers van de expositie, die gehuisvest is in een voormalige psychiatrische instelling, willen de bezoekers meegeven wat er omgaat in een kind. Met de retorische vraag: Bent u nooit kind geweest? Patrick Allegaert, artistiek directeur van het museum Dr. Guislain: "Ik denk dat kunstenaars, zeker die met kinderen en jeugdcultuur bezig zijn, proberen zo goed mogelijk te veruitwendigen wat er binnen zo'n kind echt leeft. Dat zij de ogen van andere volwassenen openen door te zeggen: kijk eens daarnaar. Ook thema's die volwassenen wel herkennen, maar die zij geschrapt hebben of vergeten zijn. 'Hoe voelde ik mij, hoe was ik toen ik zes of acht of vijftien jaar was.' Dat schuiven veel volwassenen van zich af."

Het ideologische programma

Het meest merkwaardige is de verhouding tussen haar gezicht en de rest van het lichaam. Of eigenlijk: hoe haar gezicht eruit ziet. Een dikke laag make-up maakt een masker dat lijkt op een vrouw van een jaar of dertig. Het lichaampje is vaak niet ouder dan acht, negen jaar. Of nog jonger. De kinderen worden 'geseksualiseerd': ze hebben hun onschuld verloren. Een onschuld dat is weggeborgen achter een pose die je terugvindt in een mannenblad.

Door een portret te maken van jonge Barbies maakte fotografe Susan Anderson een portret van een ideologisch programma. Allegaert: "Volwassen verwachtingen van het kind worden vaak ideologisch ingekleurd. Dat maakt een echte ontmoeting tussen kind en volwassene extra moeilijk, omdat men vanuit een bepaalde bril iets van dat kind verwacht. Als dat kind niet aan die verwachting beantwoordt dan vinden we dat problematisch."

Ruud van Empel assembleerde een schoolfoto van allemaal dezelfde kinderen. Niet letterlijk dezelfde, maar wel zijn ze allemaal gekidnapt in hetzelfde keurslijf. Ze zien er onschuldig uit, op zo'n steriele manier dat hun eigenheid, de persoonlijkheid van hun ziel, is uitgegumd. Allegaert: "Vanuit ons ideologisch geprogrammeerd kijken naar kinderen en jongeren worden zoveel mogelijkheden tot echte ontmoeting in de kiem gesmoord." Hoewel jongeren een halve eeuw geleden hun eigen cultuur opeisten en ze meer zijn dan aangekondigde volwassenen, is er in al die eeuwen niet zo gek veel veranderd. Allegaert: "Vroeger moesten kinderen braaf zijn. Het woordje 'braaf' kom je niet zo snel meer tegen, maar het ideologische programma is meer dan ooit tevoren aanwezig."

Uitzichtloos was hun toekomst. De Borinage was de hel op aarde en maakte van kinderen arbeiders in een miniatuur uniform. Wij noemen het nu kindermishandeling. Maar dat is niet het volledige verhaal. Arbeid, zij het gereguleerd, gaf jongeren een gevoel van zelfredzaamheid, verantwoordelijkheidszin en eigenwaarde. Een andere ontwikkeling dan school, maar daardoor niet minder ontwikkeling. Of je hier kan spreken van een ideologisch programma is niet de belangrijkste vraag. Interessanter is om van de neerslachtige kinderhoofden in de schamele Waalse huizen een sprong te maken van honderd jaar naar de uitgedoste, levende Barbiepoppen. Een wereld van verschil. Nederigheid naast narcistisch exhibitionisme, maar in beide gevallen een gevaar voor de kinderen. In beide gevallen ook een gevaar opgelegd door volwassenen. Is het pure mishandeling? Op z'n minst: de ultieme de ontkenning van het kind-zijn.

Maar wat is dat eigenlijk, kind-zijn? Kunnen wij, volwassenen, dat ervaren?

'Het beste werk dat ik ooit gemaakt heb, was als kind van zes.'

Kunnen volwassenen jongeren vatten op canvas? Kunnen wij kinderen zien op een foto? Is hun mysterie te bezweren? Of zijn ze ons altijd te slim af?

Filosoof Jean-Jacques Rousseau pleitte in Emile ou de l'education ervoor het kind zoveel mogelijk kind te laten zijn. De mens was ethisch goed geboren, de natuur was superieur. Laat kinderen zolang mogelijk drijven op hun instinct voordat ze het harnas van de ratio aangemeten krijgen. Laat jongeren zo lang mogelijk vrij. De kinderjaren waren ons, volwassenen, onbekend en dat terwijl onderzoekers juist een beroep doen op volwassenen om iets te weten te komen over jongeren. Dixit Rousseau.

Allegaert: "In de vraag 'Kunnen wij kinderen begrijpen?' zit bijna een ingebakken 'nee'. En toch moeten we de kloof overbruggen. We zitten er ver vanaf en tegelijkertijd is het voor ons deugdzaam om de kindertijd niet te vergeten."






Patrick Allegaert
Is identificatie met jongeren mogelijk of moeten wij een kloof vol onbegrip aanvaarden? Er was een tijd waarin die kloof kleiner leek, de periode na de Tweede Wereldoorlog toen de fantasie de overhand nam en de verbeelding een gooi deed naar de macht. Lucebert en de Ijslander Erró kiezen niet alleen de kant van de jongere, zij geven in hun vorm het kind een podium. Allegaert: "Het was een soort emancipatie van het kind. Kunstenaars die niet alleen het kinderlijke in zichzelf opzochten, maar die ook die kindertijd cultureel voor vol verklaarden. Dat is iets. Paul Klee zei ooit: 'Het beste werk dat ik ooit gemaakt heb, was als kind van zes.' Hij maakt daar echt een statement mee." Keith Haring, de twee penissen die als spaghettislierten in elkaar overgaan, is puur puberaal.

Maar op deze periode na bestaat de collectie van Gevaarlijk Jong vooral uit commentaar op kinderen en jongeren. En hiermee wordt meteen een bres geslagen. In de negentiende, begin twintigste eeuw kijken we met de kunstenaar vaak neer op de jongeren die in instellingen zitten of verpauperd zijn in de nijverheidsindustrie. We zien pedagogische voorbeelden van hoe het moet: ideologische programmering, vaak afstandelijk, vaak klinisch. Vanaf de jaren negentig van de twintigste eeuw worden jongeren op een andere manier geportretteerd. Ze worden een bron van gevaar. Een gevaar voor ons, de aangesproken toeschouwer.


Jongeren in een mateloze tijd

Een timmerman ontwijkt de persoon door wie hij obsessief gefascineerd is: een jongen van zestien. Loerend door kleine raampjes houdt hij de knaap voortdurend in de gaten. Breekt in in zijn kamer, maar wilt hem aanvankelijk niet onder ogen komen. Waarom? Wat houdt hem in zijn greep? Het is het verhaal van Le Fils, de film van de gebroeders Dardenne. Niet te vinden in de expositie, maar er voor gemaakt, zo lijkt. De jongen blijkt de moordenaar van de zoon van de timmerman.

Jongeren als gevaar voor volwassenen in een mateloze tijd. Excessen in een tijd van verandering. Allegaert: "Neem Sergey Bratkov. De Glue Sniffers. Je ziet een samenleving, het post-Sovjettijdperk, waarin het communistisch en pedagogisch ideaalbeeld niet meer werkt. Het rokende meisje: die ontrafeling van communistische idealen en de omarming van westerse kledij en seksuele geladen poses bij jonge kinderen. Dat is een commentaar op hoe snel de klassieke communistische samenleving het roer helemaal heeft omgedraaid en mensen zo'n verlangen hebben naar dit soort seksualisering."

Seksualisering op een leeftijd waarin dat moreel voor ons onaanvaardbaar is schreeuwt om een reactie. Dit commentaar stormt van alle kanten op je af in de expositie. Maar waarin schuilt dit gevaar precies? In de pose van de jongeren, in de mening van de kunstenaar of... in onszelf? Wat wekt de weerzin op? Gevaarlijk Jong is gemakkelijk af te doen als een eindeloos reeks excessen die je hier nooit om de hoek van de straat zult tegenkomen. Allegaert: "Kunstenaars, maar ook journalisten werken graag met straffe voorbeelden. In die zin toon je een uitzonderlijk segment. Maar tegelijkertijd staan ze symbool voor onze samenleving. Kunstenaars zijn op zoek naar confrontatie. We werken bij de gratie van het contrast, om te appelleren aan de eigen onzekerheden van de toeschouwer. Maar de tentoonstelling is ook een commentaar op de jongerencultuur. Je ziet de verhevigde cultuur op een meer afgevlakte manier zeker wel gedragen worden door veel jongeren."

De discussie hangt aan de muur

Vrijheid in deze bandeloze samenleving is een illusie. Volwassenen dicteren nog altijd hun ideologische programmering aan jongeren. Al hebben ze mijlen voorsprong in hun eigen virtuele wereld, toch ontkomen tieners in de alledaagse realiteit niet aan onwezenlijke verwachtingen van ouderen. Allegaert: "Tolerantie ten aanzien van alles wat anders is neemt in onze samenleving af. Zo ook naar het kind. We proberen er oplossingen voor te bedenken, hokjes, etiketten zoals adhd of autisme, omdat het allemaal perfect moet zijn. En als je dat ziet, denk je: Oh nee, dat is toch niet wat we willen? En toch, het 'psychiatriseren', het medicaliseren, meer en meer de neiging hebben om iedereen in hokjes te plaatsen en er experts op af te sturen, zeer jonge kinderen pillen geven, terwijl we op het vlak van de hersenen niet weten hoe die zich ontwikkelen... We gaan maar door. Hoe gezond is het dat de geneeskunde alle kwaaltjes oplost?"

In welke mate is de expo Gevaarlijk Jong een registratie van onze eigen onmetelijke ontkenning? De angst die wij voor het kind hebben, is dat niet eigenlijk angst voor wat wij het kind willen opleggen? Allegaert: "Ik zie verbeeld op deze tentoonstelling wat als dreigend wordt ervaren. Poses zijn voor heel veel volwassenen dreigend, de seksualisering van jonge kinderen. Men wordt geconfronteerd met onze consumptiemaatschappij. Die consumptiemaatschappij is nu eigenlijk ook zeer jonge kinderen aan het seksualiseren. Men herkent het als onze samenleving. Het is onze samenleving op en top en tegelijkertijd willen we er afstand van nemen. En dat zijn vooral de recentere beelden op Gevaarlijk Jong: beelden die toeschouwers terugwerpen op eigen evidentie maar waar je ook meteen de reflex op hebt: dit mag het toch eigenlijk niet zijn!"

Dreiging als spiegelbeeld. Oog in oog met het kunstwerk zien wij niet alleen het gevaar van lonkende sekssymbolen van amper tien jaar met een sigaret tussen de lippen, tot leven gewekte Barbiepoppen van vier, of een tropisch meisje dat ons doordringend aanstaart met een revolver in haar hand. Nee, de dreiging komt evenzeer ergens anders vandaan dan van het object op de foto. De portrettering, het commentaar op wat we zien, het is onze waarheid die hangt en staat in het Museum Dr. Guislain. Zo zien wij jongeren vandaag de dag. We zien ze in een maatschappelijke context die ook wij mede hebben mogelijk gemaakt. De discussie hangt aan de muur. Op deze tentoonstelling worden wij geconfronteerd met onszelf. Oprecht trots zijn we dat kinderarbeid in de oude vorm verjaagd is of ingekapseld in wettelijke arbeidsovereenkomsten, maar daar staat tegenover dat de beeldcultuur de jongste jongeren uitnodigt om zich te spiegelen aan het perfecte plaatje. En een teveel aan perfectie wordt vanzelf onbehaaglijk. Want tegenover wie verantwoorden wij deze beelden? Tegenover de volgende generatie? De generatie die ons in het gezicht aankijkt en ons schrik aanjaagt.


Ps: de opmerkzame lezer had het vast al door: ik spreek voortdurend over 'wij', de volwassenen. Tijdens het wandelen langs de tentoonstelling blijf je op een afstand toeschouwer van een andere wereld. Een wereld die wij allemaal ooit hebben meegemaakt maar zijn verloren. We waren ons er te weinig van bewust hoe tijdelijk het was om jong te zijn. Of we hebben onze redenen om het te verdringen. Soms, op onoplettende momenten (als anderen niet kijken) flikkert die wereld even op om zich daarna weer terug te trekken diep in een spelonk waar je net zo min bij kunt als een woord dat brandt op het puntje van je tong maar dat zich maar niet wilt ontrollen. Het maakt de ontmoeting tussen kind en volwassene er niet gemakkelijker op. En dus boeiender.